Groundhog Day

Groundhog Day

Op het eerste gezicht een standaard morgen. Opstaan, ontbijt maken voor de kids, aankleden, naar school brengen. Je kent het wel. Het had zomaar een fragment kunnen zijn uit een van de meest diepzinnige komedies waar ik ooit voor ben gaan zitten, Groundhog Day, waarin elke dag een herhaling is van zichzelf. Maar zoals wel vaker, bedriegt de schijn ook hier.

Koetjes en kalfjes
Als ik mijn kinderen veilig en wel door de hectiek van voorbij stuivend kindergeweld naar hun klaslokaal heb geëscorteerd, verlaat ik goedgemutst het kleine gebouw. De heerlijke geur van vrijheid lijkt opeens vanuit de hemel op het schoolplein te zijn neergedaald. Ik snuif het gulzig op. Voor je het weet, is het namelijk weg. Op weg naar mijn auto, vang ik een gesprekje tussen twee ouders op. Het gaat over files, sluiproutes en planning. Koetjes en kalfjes. Niets geks voor een schoolpleingesprek. Zeker niet voor een dorp. Weinig boeiend, toch biedt het mij een begin van een gesprek als mijn mede-papa, mijn collega-escorteur, naast me komt lopen. Een ieder op weg naar het volgende fragment in zijn persoonlijke versie van een Groundhog Day.

Kutvolk
‘Ik hoor dat je ver van school woont, kerel. Waarom heb je dan gekozen voor de Rank? In jouw directe omgeving zijn meerdere scholen.’ Ik verwacht een saai antwoord in de trant van ‘inspectierapport’, ‘kleine klassen’ of ‘Dalton-onderwijs’, maar niets is minder waar! “Moslims”, luidt het antwoord. Simpel. Klein. Eenvoudig. Maar dat was de bom op Hiroshima ook. De Gandhi in mij is plots ook wakker. Mandela staat al paraat. Klaar om zijn ‘I have a dream’ nog maar een keer uit te schreeuwen.

In de tijd dat mijn inwonende wijsgeren het preekgestoelte zoeken, doet collega-papa en mede-voetballiefhebber er nog een schepje bovenop. In onvervalst Mokums, zonder een woord Spaans: “Ja, er zitten daar nu eenmaal veel Turken en Marokkanen op school. Heb ik niks mee met die gasten. Pleurisvolk.” Een regen van vragen en argumenten baant zich een weg van mijn geweten naar mijn tong. Ze vechten om voorrang. De inwonende verkeersregelaar besluit de vraag voor te laten gaan. “Meen je dat serieus?” We beginnen simpel. Gesloten vraagje: ja of nee. Kind kan de was doen. Een resolute knik volgt. Een open vraag mijnerzijds ook. “Waarom denk je zo?”

“Kijk, ik ben een Amsterdammer. Geboren en getogen. Ik heb gewoond in West en Oost. Drama, man. Je bent daar niet meer thuis in je eigen land. In je eigen stad. Een praatje kun je er niet meer maken. Als je een opmerking over asociaal gedrag maakt, word je bedreigd. En nooit in hun eentje, hé! Altijd in een groep. Vijf, zes, zeven van die gasten om je heen meteen. Pistoolgebaartjes maken met hun handen. Hoe vaak ze al niet mijn auto hebben opengebroken daar! En mijn vrouw kon er niet normaal over straat! Niet normaal, man! Ik ben verhuisd. Vertrokken uit mijn eigen stad. Nee, ik moet ze niet. Ik zeg het eerlijk. Kutvolk.”Het is mijn beurt om te knikken. Lang en begripvol. Ik begrijp hem. Ik ken de voorbeelden. Ik proef het verdriet en de woede uit zijn woorden. Vooral uit de dingen die hij niet zegt. Zijn ogen zeggen namelijk nog veel meer. Branden van afschuw. Verbergen de pijn van de afwijzing. Verdriet. Niet meer, niet minder.

Vluchteling
Ik verwerp zijn hardheid en ongenuanceerdheid. Toch begrijp ik hem. Op een bepaalde manier is de man een deel van zijn identiteit verloren. Een vluchteling in eigen land. Een ontheemde. Ik weet hoe dat voelt. Klote. Zwaar klote.
De verbinder in mij vervolgt: “Ik begrijp wat je hebt meegemaakt. Ik heb het vaker gehoord. Dat is gewoon heel naar. Maar niet alle Turken en Marokkanen zijn zo, man. Ik ken hele goede jongens. Leuke, spontane meiden. In voormalig Joegoslavië kennen we een uitdrukking: beoordeel een mens naar zijn doen en laten. Nooit naar zijn afkomst.” Nu is het weer zijn beurt om te knikken. “Ik weet het”, stelt hij. “Ik weet het.” Als het begrip dreigt in te dalen, grijpt de haat weer in: “Maar waarom doen ze dat dan?! Het is dat geloof! Dat zet aan tot dat walgelijke gedrag!”

Ik schud mijn hoofd, lichtjes: “Een ware moslim zou jij nooit zo behandeld hebben. Of je vrouw. Dit zijn gewoon een stel asociale gasten. Kinderen van een sociale achterstandswijk. Maar er zijn ook andere voorbeelden. Moslims die er wel bij willen horen en die op afwijzing stuiten. Die niet worden geaccepteerd door de Nederlandse samenleving. Daar zijn ook genoeg voorbeelden van op te noemen. Dat is hetzelfde. Ook dat is niet goed. Die houding van beide kanten houdt dit gedrag in stand.” Hij knikt. Toch volgt een tegenaanval. Maar de argumenten verliezen hun lading, hun kracht. Hij begint over Erdogan, ik pareer met de valse beloften van Rutte. Hij gooit de Koran in de strijd, ik antwoord met de Bijbel en perceptie. Op het stokpaardje ‘terrorisme’ ben ik voorbereid. Maar die blijft op stal. Daar waar de koetjes en de kalfjes al lang in zijn verdwenen.

Eén voor twaalf
“Wat leren zij hun kinderen allemaal?” Even fonkelen zijn ogen weer. Brandend verlangen. Naar gelijk. Naar bevestiging. Naar erkenning. Een hokje om in te schuilen. “Wat leer jij die van jou?” Het antwoord komt van een spiegel die toevallig mijn naam draagt. Dan, als door een wesp gestoken, werpt hij een blik op zijn horloge. Hoogste tijd om te gaan. Een korte groet. Dan fietst hij weg.

Zonder te kijken, had ik hem ook kunnen vertellen dat het inmiddels één voor twaalf is.